Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

| 20 september 2019

Scroll to top

Top

Every Time I Die zorgt voor complete veldslag in Dynamo

Every Time I Die
Des
  • On 7 december 2016

Het heerlijk avondje is gekomen, Maar geen tijd om uit te pakken – Goedheiligman naar bed, kinderen naar Spanje en als de vliegende nondedju naar de kelder van Dynamo in Eindhoven voor EVERY TIME I DIE. YES!

De heren uit Buffalo hebben dit jaar hun achtste studio album Low Teens uitgebracht, en om die aan onze kant van de Atlantische Oceaan aan de man te brengen zijn Drug Church en ’68 aangehaakt. Drie keer herrie en geweld, op compleet verschillende manieren, maar wat een combinatie.

De aftrap wordt onverwacht snel gegeven door Drug Church. Deze vijfmansformatie uit Albany zet een verrassende cocktail van post-hardcore en grunge neer die zich in de studio heel gemakkelijk laat vangen. De rauwe rand die het live krijgt, maakt vervolgens dat de songs nog beter tot hun recht komen. De muziek voelt als een mix van de dynamiek van Pixies en het prettig neurotisch gitaarwerk van At The Drive-In, en ook de vocals lijken een cocktail met een paar delen Frank Black, een paar delen Cedric Bixler-Zavala – en een schijfje Jacob Bannon (Converge) ter garnering. Niet de meest toegankelijke sound – maar dan komt band nummer 2.

’68 bestaat uit drummer Mike McClellan en zanger/gitarist Josh Scogin – die we kennen als de oorspronkelijke vocalist van Norma Jean en van The Chariot. Waar zijn eerdere bands gekenmerkt werden door gitaargeweld geënt op metal en hardcore, gooit ’68 het over een totaal andere boeg. Scogin heeft de gitaar zelf ter hand genomen, met als gevolg een arsenaal aan groovy riffs geënt op stoner en sludge. Maar voor je goed en wel meegesleept wordt een bepaalde richting in, storten de nummers ineens in of ontploffen ze waar je bij staat. Tempo’s en stijlen denderen dwars door elkaar heen, soms van elke logica gespeend. Het lukt ze om dit live volledig op de spits te drijven; beide heren hebben natuurlijk alleen elkaar om rekening mee te houden (Scogin grapt aan het einde van de set nog “I would like to thank every one of my friends for being in my band”). En de kers op de taart: Scogin’s vocalen liggen volledig in lijn met wat hij bij zijn eerdere bands gepresteerd heeft, rauwe en overstuurde kreten die hij van tijd tot tijd door extreme delays haalt om de chaos compleet te maken. Tot je als toeschouwer niets meer kan dan gedesoriënteerd voor het podium langs strompelen.

En dan eindelijk betreedt Every Time I Die zelf het podium. En na iets meer dan anderhalve seconde van opener Glitches breekt er voor het podium een totale veldslag uit. Bier, hoofden, armen, complete lichamen vliegen alle kanten in. Stagediven en crowdsurfen is niet alleen gewild – het wordt verplicht. Voorman Keith Buckley doet zijn best om iedereen aan te moedigen: het is hardcore, en je zorgt maar dat je uit je dak gaat. Zijn broer Jordan geeft een aantal keer graag het goede voorbeeld, gitaarspelend en al. En als één van de feestvierders de pech heeft om zich klaar te maken voor de sprong als het nummer nét is afgelopen, wordt hij teruggefloten op het moment dat hij weer van het podium af wil stappen. Geen half werk. “It’s just stagediving, people do it everyday.”

De set is een uitstekende afwisseling van materiaal van hun laatste release en een greep uit hun eerdere albums. De nummers volgen elkaar in hoog tempo op, de druk wordt er goed op gehouden. Alles gaat erin als koek en de cynische teksten worden van alle kanten mee gebruld. Ook het geluid, dat zacht gezegd niet fantastisch is met een kick drum die alles wat ook maar in de buurt komt van de lage frequenties volledig opzuigt, mag de pret niet drukken. En dan ineens is het weer voorbij. Geen toegift, maar een band die zo z’n best doet om energie uit te wisselen met hun publiek kun je niks kwalijk nemen. En met de onconventionele support ernaast, is de som vele malen groter dan zijn delen.