Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

| 19 augustus 2019

Scroll to top

Top

Marco Roelofs over de Heideroosjes, Eindhoven en meer – Deel 1

Marco Roelofs over de Heideroosjes, Eindhoven en meer – Deel 1
Guido Segers

Marco Roelofs heeft zich inmiddels aardig gevestigd in Eindhoven, tussen de Randstad en het Limburgse in. Hij is inmiddels een bekend gezicht in Eindhoven Rockcity en bij vele concerten is hij in het publiek te vinden. Maar nu gaat hij ook zelf het podium weer op na een aantal kortstondige projectjes, met zijn eigen Heideroosjes. Na, en niet schrikken nu, maar toch al 30 jaar! Dat vonden we een goede aangelegenheid om eens in-depth te babbelen met Marco.

Op de koffie dus in zijn nieuwe huis, waar duidelijk nog hard gewerkt wordt. We praten wat over verbouwen en huizen, voor ik mijn telefoon op tafel leg om ons gesprek op te nemen. Geen probleem natuurlijk.

Marco kijkt even naar mijn telefoon en merkt op dat het toch heel anders was toen hij begon. Hij heeft het niet alleen over de Heideroosjes, zijn band die nu 30 jaar bestaat, maar over zijn opleiding journalistiek. “Ik moest zo’n lompe, zware bandrecorder meesjouwen en dat was me een gevaarte… Toch grappig hoeveel makkelijker dat nu is. Je hebt eigenlijk maar één apparaat nodig. Er is inderdaad ontzettend veel veranderd in al die tijd… daar zijn we het over eens. De verwarming in zijn nieuwe huis tikt af en toe tijdens ons gesprek, als een kleine reminder aan de tijd.

Muziek, dromen en Pinkpop

Ik wil eigenlijk iets verder terug gaan dan de Heideroosjes. Voor de band begon, welke verwachtingen en dromen had je toen?

“Dromen waren er heel veel, verwachtingen iets minder. Toen we begonnen was er net de CD, dat was nieuw. Er was geen internet en wij woonden in Horst. Elke maand kocht ik de Aardschok en als moeilijke puber, bijna zo’n onhandelbaar geval, was dat voor mij de uitlaatklep. Ik had muziek ontdekt, de hair metal met Bon Jovi, Whitesnake en Mötley Crüe. Dat was geweldig, dat rebelse en onaangepaste. Mijn moeder vond het kut, dus dat kon niet beter. Al snel werd de muziek harder met Metallica en Slayer, wat toen nog echt underground was. Je zat er ook middenin, want acts als Tankard en Death speelden toen gewoon in Horst en bands als Sepultura en Biohazard in buurdorp Venray…”

“In de eerste klas vonden een paar jongens en ik elkaar als de outcasts met die muzikale voorkeur. Jongens die niet echt in de maat liepen met de rest in zo’n rare tijd; je krijgt haar op plekken waarvan je denkt wat is dat, vrouwen zijn raar, je hoort er niet helemaal bij… Al die clichés, die kon ik weer perfect los laten in de muziek. Muziek heeft er denk ik ook voor gezorgd dat ik niet met een kogel in mijn kop in een greppel geëindigd bent, daar kon ik wat mee. Maar er was ook wel een tegenkracht. Mijn ouders zagen het niet zo zitten en ik moest ook gewoon braaf naar de kerk… Dus dat verzetten, dat speelde een grote rol.”

Wacht… maar jij bent toch punk gaan maken? Hoe ben je van metal naar punk gekomen?

“Ik wilde heel graag kunnen wat die metalgasten deden. Death, met Chuck, speelde dus in Horst. Echt, what the fuck! Zo hard en bruut, met grunts, dat was nieuw! En dat dus gewoon in ZOPO ( Zuipen Onder Progressieve Omstandigheden, nu OJC Niks), in Horst, voor 50 man. Ook Agnostic Front en Sodom zag ik in de buurt. Maar al snel kom je er dan achter dat je niet die portie talent hebt om dat te kunnen doen, en met die reality check ga je keuzes maken. Ik was ook superhongerig naar muziek, dus toen ik ‘Master of Pupppets’ van Metallica kocht, zag ik een foto van James Hetfield met een shirt van The Misfits. Dus ging ik naar de platenzaak en vroeg ik of ze dat hadden, ‘Misfits’, en al snel stond ik in de punkbak te zoeken en kwam je platen tegen met schokkende hoezen. Die moest je hebben, dus al snel kwamen bands als Dead Kennedys binnen. Omdat ik zelf best maatschappelijk bewust was, of vooral anti-heel veel, schoof de aandacht naar punk. “Fuck the system”, dat snapte ik wel! Dat was de boosheid die ik voelde en niet direct vond in ‘2 Minutes To Midnight’.”

“Dus elke zaterdag zoeken in die platenbakken en luisteren naar alles wat je gaaf leek. Uiteindelijk kon je er dan één kopen. Die zoektocht, dat werk, dat maakte het ook zo mooi. Die wisselde je ook ui, dus toen iemand Napalm Death gevonden had, was die natuurlijk het baasje die week. Maar zo vonden we onszelf en ging ook een groepje de straight edge kant op, de New York hardcore. Daarvoor gingen we vaak naar Den Bosch, naar W2, voor bands als Sick of it All, Youth of Today en NOFX met The Offspring als support! Dus ook maakte ik die groei mee van underground naar mainstream.”

En toen begonnen de Heideroosjes, misschien wel een vertaling van dat punk ethos wat je noemt. Voor mij voelde die muziek altijd meteen relevant, meteen klikte het met mijn wereld. Maar hoe vertaal je dat gevoel van de New York hardcore naar iets Nederlands?

“De ontwikkeling van de Heideroosjes is ook die van ons als mens. Van de demo die je als puber maakt tot je laatste plaat als volwassene, daar zit veel tussen. In het begin probeer je dan vooral iemand anders te zijn en immiteer je, dat geldt voor elke artiest. Ik wilde Ray Cappo zijn, terwijl ik in het kippenhok in Horst stond. Maar ondanks dat ik niet in New York was, waren de thema’s universeel. Harde muziek met een boodschap, dat vond ik mooi om als tegengeluid te geven voor de vooroordelen dat het muziek voor ongelovig tuig was.”

“Maar zo begin je, maar je balanceert steeds meer uit. Het feit dat ik in het Nederlands en Engels schreef helpt daar ook bij, ondanks dat het nooit bewust een keuze is geweest. Als ik op CNN iets zag, schreef ik in het Engels. Als een vriend me wat vertelde, dan was het Nederlands. Onze platenbaas van PIAS heeft me nog eens toevertrouwd, dat dit het bijna onmogelijk maakte om ons in een hokje te plaatsen, vooral in de eerste jaren. Dat was kut voor de platenbakken, maar ook de kracht van de Heideroosjes. We waren een instapband, een brug voor mensen die iets anders wilden en zo hun weg vonden. Dat krijg ik nog steeds terug van mensen. Ik wil ons niet groter maken dan we waren, maar we maakten door onze diversiteit die overgang naar andere muziek mogelijk. Dat vind ik eigenlijk heel erg gaaf, want dat maakt ons speciaal voor veel mensen. We zijn die eerste band die mensen gingen zien, waar ze dronken waren, stagediven en soms waar men zichzelf vond.”

“Ik vind het wel jammer dat de jongere generatie zo moeilijk naar concerten te krijgen is. Mijn generatie, zonder daar een oordeel aan te hangen, moest er op uit om de wereld te ontdekken, om muziek te vinden en te beleven. Nu heb je Spotify en Netflx en hoef je de bank niet meer af. Ik denk dat het mij heel veel gebracht heeft en als mens gevormd heeft om die passie na te streven. Die DIY-mentaliteit, zelf opnemen, merchandise maken en touren… Als ik daar voor anderen met mijn muziek een rol in heb kunnen spelen, dat is een enorm compliment.”

Is er een moment dat je merkte dat je van imiteren echt overging naar jezelf zijn? Naar jezelf uitdrukken?

“Ik denk dat ik altijd mezelf ben geweest, maar ik ben letterlijk opgegroeid in die band. Toen we de eerste keer op Pinkpop stonden, toen vond ik mezelf een hele pief. Maar achteraf was ik toen ook een boerenjongen die net kwam kijken. We hadden net 2.000 albums verkocht, vooral uit de kofferbak van de auto. We hadden geen boekingskantoor of platenmaatschappij en kwamen per ongeluk op het festival terecht. Stichting Popmuziek Limburg maakte zich sterk voor één band uit de regio. Wij hadden mazzel, omdat we support waren van Die Toten Hosen in de periode daarvoor. Jan Smeets zag ons en zette ons neer. Toen ik daar op het podium stond en die connectie voelde met 20.000 mensen, dat was wel een moment van: Ok, dit kan gewoon! Dit kunnen wij als mannetjes van 19, ik met oranje haren en een Sesamstraat trui aan. Dromen komen op dat moment toch uit.”

“Maar als ik het heb over de eerste keer Pinkpop, in 1995, dan heb ik het over ‘Rockin’Kolonia’, dat was toen de onoffficiele Pinkpop pre-party. Dat hoorder er wel bij, maar was wat anders. Toch was het datzelfde publiek en die omvang en het jaar daarna werd Pinkpop een 3-daags festival. Daar speelden we ook en dat is ook op televisie uitgezonden.”

Maar daarna gaat het natuurlijk ineens supersnel…

“Na die show was er enorme vraag naar onze CD. We hadden er 500 laten maken en we waren al bang dat we er niet vanaf kwamen. Dus toen PIAS belde waar die waren, gaf ik aan dat ze in de garage stonden. Hoeveel ik er nog had? Nou ja, een paar doosjes zeker… Een paar doosjes? Kunnen wij deze week met jullie praten over het uitbrengen van jullie platen? Ehm, ja… dat kan, maar ik heb examens, dus dan moet je wel naar Horst komen. En dat gebeurde dus… Onwerkelijk, van die mannen in pakken die voor de Heideroosjes naar Horst kwamen. We mochten zelfs eisen stellen, bijvoorbeeld dat de CDs niet duurder waren dan 15 gulden (toen waren er nog geen euros).”

“Tot die dag verkochten we per jaar misschien 500 CDs. Na Pinkpop gingen we naar 500 per week, een local breakout noemde Mojo dat toen. Kleine bands die als een raket ineens omhoog schoten, zoals Green Day en Nirvana. Natuurlijk waren wij niet zo groot, maar ineens schoten we de mainstream in. Wat dan ineens weer veel druk geeft op je band, want dat is alles wat je eigenlijk niet bent. Je speelt in kraakpanden, jongerencentra en dan plots Tivoli Utrecht, uitverkocht en wel! Dat was een hele maffe tijd. Ik vraag me af of dat eigenlijk nog zo kan…”

Er zijn wel eens gedachten over dat de jongerencentra, de OJC’s, daar een grote rol in speelden voor ontwikkelende bands. Die zijn natuurlijk grotendeels weg, enkele uitzonderingen daar gelaten.

“De jongerencentra ben ik in ieder geval eeuwig dankbaar. Wij konden in een redelijk beperkte straal ongelooflijk veel meters maken in de omliggende dorpen in die jongerencentra, waar je op zondag kon spelen voor een kleine betaling. Zo konden we als band als spelende groeien, want in het begin waren we natuurlijk volop in ontwikkeling. Dat is voor ons en veel andere bands ontzettend belangrijk geweest…”

“Toen we na 1.500 shows afscheid namen op Lowlands, was ik iemand met veel meer ervaring en wijsheid. Maar muzikant zijn was iets wat we deden en wie we waren, daar dacht ik niet meer over na. Dat is ook de reden dat we stopten, het was een baan geworden en wij waren ook een working band. We konden er een boterham van eten, maar niet een paar jaar inspiratie opsnuiven na elke release. Het was supertof, maar het was altijd aan staan en hard werken. Dat deden we graag, maar na een goede 23 jaar moesten we ook aan onze toekomst gaan denken en stoppen was toen een heel rationeel besluit.”

Maar hoe doe je dat dan, dat stoppen? In een interview met het NRC noemde je het spelen in de band een drug, dus hoe laat je dat los?

“Ja, dat is een rationeel proces. Een besluit dat voor ons als mensen het beste was. We zijn dus opgegroeid in die band, maar op een gegeven moment zit dat je leven als mens in de weg. Vrouw, kind, koophuis, al dat soort zaken… We konden prima leven van de band, maar het was een doorlopende effort om alles op hetzelfde niveau te houden. Je publiek veranderd, je loopt tegen de grenzen van je talent aan… Allemaal redenen waarom het rationeel gewoon beter was te stoppen. Dat hebben we uitgestippeld als een soort langzame dood, een afscheidstour waarbij we stukje bij beetje tot stilstand zouden komen. Dat werkt natuurlijk niet zo mooi als het klinkt.”

“Na 23 jaar in de bobslee-baan die een band is, is dat alles wat je kent. Ik moest opnieuw leren lezen en schrijven als het ware, maar dit keer op mezelf. Je levensomstandigheden, sociale contacten, je dagindeling, je broodwinning, alles is plots anders en als je dan, niet een voorschot genomen hebt op die verandering, dan is dat heel erg moeilijk. Voor mij was dat dus geen feest… Achteraf gezien zat ik in een rouwproces. Dat vond ik zelf echter bullshit, want ik had in een band gezeten, that’s it! Er zijn ook mensen die hun baan verliezen, dat is veel erger. Toch zit daar een menselijke pscyche onder die op een bepaalde manier reageert en dat moet verwerken. Daar heb ik veel moeite mee gehad, maar dat is ook weer goed gekomen gelukkig.”

Lees verder in Deel 2 van het interview.

Foto’s: Justina Lukosiute